
Tijdens de Tweede Wereldoorlog legde Nazi-Duitsland in bezet Nederland de Arbeidsinzet op: verplichte arbeid voor de Duitse oorlogsindustrie. In totaal werden ruim 500.000 Nederlandse mannen, vaak jonge twintigers, naar Duitsland gestuurd om te werken in fabrieken, scheepswerven en munitiebedrijven. Ook vanuit Zaamslag vertrokken tientallen mannen naar Duitsland. Een opvallend groot aantal keerde niet terug.
Van werkloosheid naar dwang
Al vóór de oorlog stuurde de Nederlandse overheid werklozen naar Duitsland: wie weigerde, verloor zijn uitkering. Tienduizenden Nederlanders werkten daar bij het uitbreken van de oorlog al, ‘vrijwillig’ maar onder druk. In de zomer van 1940 vertrokken ook drie mannen uit Zaamslag op zoek naar werk – de eersten van velen. In 1941 begon de verplichte Arbeidsinzet voor werklozen, en vanaf 1943 gold die voor alle mannen van 18 tot 45 jaar, tenzij ze ontheffing kregen. In de steden leidde dat tot stakingen; in Zeeland en Zaamslag doken velen onder of vertrokken gelaten. Onderduiken was in 1943 goed geregeld in Zeeuws-Vlaanderen, maar riskant: vaders konden worden opgepakt voor hun zoon. Daarom werd werken in Duitsland soms als ‘veiliger’ gezien dan onderduiken.
Zaamslag: 30 mannen weg, 10 keerden niet terug
Vanuit ons dorp vertrokken uiteindelijk zo’n 30 mannen onder dwang naar Duitsland. Tien van hen zijn nooit thuisgekomen. Dat is vergeleken met de rest van Nederland een heel hoog percentage. Anderen keerden terug, maar waren ziek, getraumatiseerd of gebroken.
Eberswalde – het bekendste voorbeeld
Vijf Zaamslagenaren kwamen in 1943 aan in Eberswalde, een stadje ten noordoosten van Berlijn: Levinus Haak arriveerde op 1 juli 1943, Bram Leenhouts en Pieter Kaijser op 9 juli. Johannes Moens op 15 juli en Jacobus van Arenthals op 14 december. Ze werkten er in een wapenfabriek van Ardeltwerke. Daar werkten zo’n 100 Nederlanders, onder wie mede Zeeuws-Vlaming Jan den Hamer (Terneuzen). Hij zei achteraf spijt te hebben dat hij niet ondergedoken was. De omstandigheden in Eberswalde waren erbarmelijk: koude barakken in het bos, geen warm water en nauwelijks voedsel. Bovendien liepen ze bijna dagelijks op klompen door sneeuw en modder naar de fabriek. Af en toe gingen de Nederlanders, vermoedelijk ook onze dorpsgenoten, de stad in. Wie een film met Marlene Dietrich verwachtte, was snel teleurgesteld, de lokale Westend-bioscoop had alleen propaganda films.
Een van de Zaamslagenaren in Eberswalde, Johannes Moens, overleed in 1943 in Duitsland, slechts 38 jaar oud. Hij liet een vrouw achter in Zaamslag. Vermoedelijk bezweek hij aan een longaandoening door kou, uitputting en slechte zorg. Zijn naam staat niet op een monument.
De tocht terug: vluchten te voet
Waar Zaamslag in september 1944 al bevrijd was door de Polen, moesten onze dorpsgenoten in Eberswalde wachten tot 23 april 1945. Pas toen werd de stad bevrijd door het Russische leger. De bevolking en bewakers sloegen op de vlucht. De overgebleven Nederlanders, waaronder Zaamslagenaren Bram Leenhouts, Levinus Haak, Pieter Kaijser en Jacobus van Arenthals, grepen hun kans. Spoorlijnen waren gebombardeerd, dus begon een lange tocht te voet naar huis van meer dan 900 kilometer. Het moet een tocht zijn geweest die ze lang is bijgebleven. Iemand die vermoedelijk dezelfde route liep, de heer Roctus, omschreef later hoe ze ettelijke weken lang liepen en onderweg bange moeders met baby's tegenkwamen en ontsnapte gevangenen uit de nabije concentratiekampen Ravensbrück en Saksen. Ook uitgeputte en hongerige mensen met de nodige blessures door hard en snel lopen passeerden hun pad. Leenhouts, Kaijser, Haak en Arenthals liepen vermoedelijk via Fürstenberg, Witstock en Ludwigslust, en toen kwam de groep in Lauenburg aan de Elbe de geallieerden tegen. Levinus Haak haalde de eindstreep vermoedelijk niet. Van hem is nooit een overlijdensakte gevonden. Zijn lot blijft onbekend. Met nog meer wandelen en liften kwamen Leenhouts, Kaijser en Van Arenthals uiteindelijk in Maastricht. Eenmaal op Nederlands grondgebied waren onze dorpsgenoten snel terug in Zaamslag.
Terug in Zaamslag: stilte
Na de oorlog bouwden de overlevenden hun leven opnieuw op. Zo trouwde Bram Leenhouts in 1948 met Sara Leuntje de Vos. Ze runden samen een fietsenwinkel en kruidenierszaak aan de Terneuzensestraat; later verhuisden ze naar de Wilhelminastraat. Bram was zwaar reumatisch, vaak ziek, maar sprak nooit over de oorlog. Van anderen, zoals Pieter Kaijser, weten we dat hij later werd onderscheiden met een eremedaille. Van Jacobus van Arenthals is minder bekend. Maar al deze mannen hadden één ding gemeen: ze droegen hun oorlog met zich mee, in stilte.
Meer Zaamslagenaren in Duitsland
Ook elders, door heel Duitsland, zaten Zaamslagenaren. De meesten werkten in fabrieken die de oorlogsmachine van het Derde Rijk draaiende hielden. Een greep uit de plaatsen waar ze verbleven:
Ondanks de verschillende locaties waren de ervaringen vergelijkbaar: zwaar werk, kou, dreiging van bombardementen en heimwee.
Uw verhaal telt ook
De verhalen van de Zaamslagse dwangarbeiders zijn lang onderbelicht gebleven. Misschien omdat ze ‘niet gevochten’ hebben. Misschien omdat ze zwegen. Maar hun verhalen zijn belangrijk. Kent u iemand uit Zaamslag die tijdens de oorlog in Duitsland moest werken? Of heeft u misschien andere verhalen die vroeger aan de keukentafel werden verteld? We zijn op zoek naar meer persoonlijke verhalen uit Zaamslag rondom de oorlog, maar ook andere verhalen. Elk detail helpt ons het verleden levend te houden en door te geven aan volgende generaties.
We bedanken het Museum van Eberswalde voor het beschikbaar stellen van bronnen en informatie.